Jacobus Beynsbergen ( ca 1744), wonend in Bree en gehuwd; 4 kinderen. Zou als rechterhand van Arnold van de Wal (Nolleke van Geleen), hebben deelgenomen aan het leggen van brandbrieven en de overval bij Bogaerts.

De bendeleden uit Bree worden direct na de aanstelling van Clercx als gevolgmachtigd lt. Drossaard, door hem vervolgd, op basis van de bekentenissen van Nolleke van Geleen in Peer. In de eerste arrestatiegolf van 21 op 22 oktober 1789 worden onder anderen Jaak Beynsbergen en zijn stiefzoon gearresteerd. Bij zijn eerste verhoor op 23 oktober ontkent Beynsbergen alles, maar na foltering bekent hij deelname aan de diefstal bij Bogaerts en het leggen van brandbrieven. Ook geeft hij aan dat Nolleke van Geleen de leider van de bende is geweest. Verder noemt hij enkele namen. Op december worden Jaak en zijn stiefzoon veroordeeld; het vonnis (ophangen) wordt op 11 december uitgevoerd.

 

7.4 Keyartsmolen201

Bij de Keyartsmolen werden ook brandbrieven bezorgd.

 

Op die laatste dag legt Jaak nog een uitvoerige verklaring af, waarin hij onder andere bekent dat Barbara Baggen ( de vrouw van Nolleke van Geleen) de goddeloze eed liet zweren : het afzweren van de crucifix en het aanbidden van het beeld Crona.

Voor Clercx was deze verklaring aanleiding om Barbara Baggen in december zwaar te laten folteren, waarbij de vraagstelling over de eed veranderde van “hebt gij niet de eed van getrouwigheid afgelegd ?” tot “hebt gij niet gemaakt een compact of verbond met de duivel ?” De aangepaste vraagstelling was een onderdeel van de escalerende procesvoering.

Bronnen:

-          Barbertje moet hangen – De “Bokkerijders”uit Groot Bree ( ca 1995); door Jo Cortjens en Bert Simons

-          Bokkenrijders, late heksenprocessen in Limburg (2002); door François Van Gehuchten

-          Bokkerijders in Bree, het proces Antoon Fransen alias Van Heeswyck (1995); door Hendrik Verheyen.