Als laatste bijdrage over foltertuigen voor bokkenrijders zijn we in de categorie ‘varia’ beland.

In vorige nummers werden behandeld: de kleine tortuur met duim- en beenschroeven en de grote tortuur met de wipgalg. Daarbij werd de link gelegd met Duitse concentratiekampen. De foltermethodes in de 18de eeuw overleefden immers die gruwelijke tijd.

In dit laatste deel behandelen we het tortuurstoeltje dat niet in Loon, maar in Antwerpen werd toegepast op een bokkenrijder, namelijk Philip Mertens en we brengen het ‘geval Jan Bando’ in Stevoort onder de aandacht. Dat toont een ander aspect, namelijk dat de beul, met instemming van het gerecht soms over de schreef ging, wat door iedereen –de dokters incluis- werd toegedekt.

Het ‘kittelstoeltje’

Voor het graafschap Loon was de tortuur in de 18de eeuw duidelijk omschreven met de schroeven en de wipgalg. Andere ‘ondervragingsmethodes’ mochten niet gebruikt worden. In andere rechtsomschrijvingen, zoals in Overmaas en Brabant mocht nog wel beroep worden gedaan op het folterpaardje of tortuurstoeltje.

Het was een vreselijke pijniging waarin de beul nu eens niet de hoofdrol speelde. Het ingenieuze, sadistische brein van de mens zorgde ervoor dat hier de beklaagde zichzelf afjakkerde en pijnigde!

Niet de stoel zelf maar de halsband was in de hele constellatie het belangrijkste voorwerp.(Zie afbeelding).

tortuurstoel

De halsband bestond uit twee halve cirkels die aan elkaar vast werden gezet rond de hals van de beklaagde. Aan de binnenzijde waren scherpe pinnen bevestigd. De beklaagde voelde in zijn hals dus niet de gladde, metalen band zelf maar wel de scherpe pinpunten. Als hij roerloos bleef zitten, voelde hij geen pijn. Daarop had de sadistische mens weer iets gevonden. De man werd op een hoge stoel geplaatst zodat hij niet met de voeten aan de grond kon. Die voeten bengelden boven de grond, waardoor de beklaagde met zijn lichaam voortdurend moest evenwicht zoeken. Als het stoelvlak dan vrij groot zou zijn, zou dat aardig lukken maar ook daar haperde weer iets. Boven op de stoel lag een driehoekige wig met een punt naar boven. Daarop zat de beklaagde die dan moeizaam zijn evenwicht moest houden. Het was een voortdurend wriemelen en kronkelen van het lichaam om die hals maar roerloos te houden. In tegenstelling tot de schroeven die een intense pijn veroorzaakten, was dit een tortuur van lange adem. Dit kon uren duren en de beklaagde kreeg het steeds moeilijker naarmate de afmatting toenam.

Philip Mertens moest deze methode in Antwerpen ondergaan. Hij kreeg dan ook een marathontortuur. Het gerecht, namelijk de schepenen, de griffier, de dokter en de beul moesten toezien dat de beklaagde er niet ‘in’ bleef en hiervoor was voortdurend gevaar. Als een pin de halsslagader van de beklaagde raakte was het gedaan. Philip Mertens viel eens bewusteloos en dan moest hij gauw gauw worden vrijgemaakt.

Al bij al was de tortuurstoel een omslachtige methode. Voorwaarde was dat de halsband roerloos in de ruimte bleef hangen. Dat gebeurde door stokken en staven van vaste ankerplaatsen op de muren met de halsband in het midden van de kamer te verbinden. Die stokken of staven moesten juist lang genoeg zijn. Dat kwam erop neer dat het tortuursteoltje niet of weinig mobiel was, in tegenstelling tot de andere foltertuigen die de beul moest ter plaatse brengen. Het was waarschinlijk mee de reden dat de methode in Loon niet meer werd toegepast in de periode van de beruchte bokkenrijdersprocessen.

Op bepaalde plaatsen in Overmaas zou het wel nog toegepast zijn. De volksverhalen geven in dat verband een interessante anekdote. Een bokkenrijder zou het tortuurstoeltje spottend het ‘kittelsteulke’ hebben genoemd. Nochtans werd er allesbehalve gekitteld. Maar ook voor andere tortuurvormen zoals de scheenschroeven bestonden er spotnamen. Zaken waarvoor de mens bang was, werden niet bij naam genoemd. Getuige daarvan de vele namen voor de duivel of voor ziektes zoals de pest. In het volksgeloof leefde het primitieve geloof dat een naam uitspreken, inhield dat het als een gevaar werd aangetrokken en zou toekomen naar de persoon die de naam had uitgesproken.

De zweep

Wie oude burchten of musea voor foltertuigen bezoekt of wie de prent Justitia van Pieter Bruegel uit 1559 aandacht bekijkt, merkt op dat in de middeleeuwen er vele andere martelmethodes bestonden en daarbij werd het bloed soms niet geschuwd.

Er was het uitrekken op een ladder of een bank. Een mens kon zo tot dertig centimeter langer worden. Dan volgde het ‘openscheuren’. Op zo een rekbank konden ook pinnen geplaatst zijn, zodat bij het rekken de huid werd opengescheurd. In het midden van de bank was er dan een geultje om het bloed te laten afvloeien. Meestal denkt de vluchtige bezoeker er niet veel over na. Misschien is het een verdedigingsreflex om over dergelijke vreselijke zaken niet hoeven te mediteren.

Er was de waterpoef waarbij mensen verplicht werden vijf of zelfs tien liter water te drinken, of beter gezegd zich zo te laten volgieten.

Een zweep werd vrijwel nooit gebruikt voor tortuur als ondervragingsmethode,. Dat was wel één van de vormen van straf. Toch is er in de bokkenrijdersprocessen van Loon, het huidige Belgisch Limburg één geval bekend waarbij een zweep als marteltuig werd gebruikt.

In het graafschap Loon was in de 18 de eeuw de tortuur al vermenselijkt in vergelijking met de’barbaarse’ middeleeuwen. Er mocht geen bloed meer vloeien. De schroeven zorgden hoogstens voor inwendige bloeding en afgeschuurde huid op duimen en benen. Bij de wipgalg werd het middeleeuwse rekprincipe toegepast, maar hier vloeide ook geen bloed.

Onder invloed van de Verlichting zag de overheid toe dat de tortuur en de terechtstelling niet al te veel lijden met zich meebracht. In Brabant en de Zuidelijke Nederlanden gaven de keizerin Maria-Théresia en haar zoon Jozef II herhaaldelijk edicten en plakkaten uit om de tortuur te beperken en de terechtstelling in te korten. Ook vanuit Luik werden die directieven gegeven en in verscheidene bokkenrijdersprocessen werden de lokale schepenbanken op de vingers getikt en de processen afgestopt. Dan rest de ultieme vraag: hebben die lokale gerechtsinstanties zich gehouden aan die richtlijnen? Het antwoord is ja en neen.

Zoals aangehaald is het probleem dat wij vrijwel alleen beschikken over de eenzijdige versie van het gerecht. Als er een welgestelde ‘bokkenrijder’ was die een advocaat kon inschakelen, lezen we soms heel andere verhalen. Die verhalen blijven helaas schaars, maar ze werpen toch een heel ander licht op de zaak.

We kunnen stellen dat lokale schepenen, griffier en beul dezelfde kaart trokken. Zij vertegenwoordigden het gerecht bij de tortuur. De dokter of chirurgijn moest toezien dat ‘het’ niet te erg werd, maar blijkbaar traden zij te weinig op. Het algemeen beeld is dat zij allen aan één zeel trokken. Daartegenover stond dan de beklaagde, meestal ongeletterd en onwetend over rechtsgeplogenheden.

Meerdere klachten waren er dat de tortuur langer had geduurd dan officieel was voorgeschreven. Zelden werden andere, niet –reglementaire martelmethodes gebruikt, maar soms gebeurde het toch!

Op 28 november 1774 werd Jan Bando in Stevoort verhoord. Het hooggerechtshof van Vliermaal had verordend dat hij alleen de kleine tortuur mocht krijgen. Toch werd Bando aan de wipgalg opgetrokken omdat hij bepaalde beschuldigingen niet wou toegeven. Hij bleek zoals andere ‘bokkenrijders’ beter bestand tegen de estrapade en bleef bijna roerloos hangen, de pijn in stilte verbijtend. Dat moet blijkbaar op het systeem van beul en gerecht hebben gewertkt, zodat de beul hem nog slagen gaf van een haren zweep, zoals in de stukken staat te lezen. Na 4.5 uur werd hij dan neergelaten en ‘gescheurd’ in een laken gewikkeld en afgevoerd. Met gescheurd werd bedoeld dat er bloedsporen te zien waren op zijn lichaam, totaal in strijd met de toenmalige, nochtans primitieve rechtsregels.

Nog interessant is de vermelding dat Bando tijdens de tortuur behangen was met relikwiën en een lam gods, bedoeld om het kwade weg te houden. De duivel zou de bokkenrijders immers gevoelloos maken voor de pijn, zo leefde de idee bij de toenmalige rechtsinstanties. Door die relikwiën, die witte magie zou de duivel wegblijven, nog maar eens een klaterend bewijs van het bijgeloof bij de lokale gerechtsdienaars!

Samenvattend kunnen we stellen dat de tortuur in het 18de eeuwse Loon al vermenselijkt was maar dat in de praktijk de gerechtsinstanties nog vrij willekeurig en onreglementair te werk gingen.

François Van Gehuchten