Foltertuigen voor bokkenrijders

Wie de prent Justitia van Pieter Bruegel de Oude uit 1559 bekijkt, ziet tientallen vormen van menselijke wreedheid tegenover de evennaaste.
De prent dateert uit 1559, een jaar na de dood van Keizer Karel die de godsdienstvervolgingen in de Nederlanden had aangevat. Justitia betekent Gerechtigheid. De sluwe Bruegel drukt in de prent zijn afschuw uit, zonder het expliciet mee te delen. In de Late Middeleeuwen was nog veel toegelaten bij de tortuur of gerechtsmarteling, zoals de waterproef. In de achttiende eeuw, de periode van de bokkenrijders, was er een evolutie ten gunste gebeurd, was de tortuur beter beteugeld en werd de aard en de duur van de tortuur nauwkeurig bepaald.
Bij de tortuur waren steeds wethouders aanwezig; de griffier of 'de klerk van den bloede' nam notities; een chirurgijn of dokter observeerde het weerstandsvermogen van de verdachte; de beul voerde uit met zijn duim- en beenschroeven ebruegeln wipgalg. In het Land van Loon waren beulen uit Luik en Roermond actief. Zij moesten handelen zoals het hoog gerechtshof van Vliermaal voorschreef. Het hof onderscheidde twee soorten tortuur: de grote en de kleine. Iedere gerechtsmarteling werd aangevat met de kleine tortuur, te beginnen met de duimschroeven en nadien de beenschroeven. De grote tortuur die nadien eventueel werd toegepast bestond vooral uit de wipgalg. In drie uitzonderlijke gevallen was nog sprake van een andere pijniging: het wrijven met paardenhaar over de armen (Kortessem en Hoepertingen), het tortuurstoeltje (Mertens, Antwerpen) en zweepslagen (Bando, Stevoort).
Vandaag komt de in de tortuur chronologisch eerste pijniging naar voor:

1. De duimschroeven
Het waren pietluttige dingen, nog geen vijf centimeter groot. De 'schroefkens' werden ze genoemd. Dat was steeds het eerste stadium in de tortuur. De beul image 03 duimschroevenhaalde ze al eerste boven. Hij had zijn tuigen aan de beklaagde laten zien in de 'territie,' maar de beklaagde was een harde en wou zijn misdaden niet bekennen. De beul nam een schroef en deed ze om de duim van de beklaagde, schroefde vast maar nog niet erg. De prangende pijn was al goed voelbaar. De beschuldigde wist dan al dat het veel erger zou worden en hij had ook de beenschroeven en de wipgalg al gezien. Hij stond bovendien alleen in een donkere kelder of ongezellige krocht tegenover een zestal hoge pieten: schepenen, een chirurgijn of dokter; een griffier en een onbekende beul. Hij moest bekennen, zegden ze, want ze wisten alles. Niet alleen fysisch, ook psychologisch gingen velen al onderuit tijdens het eerste kwartier of half uur. Zij die volhielden kregen een tweede schroef op de andere duim. Wanneer dat gebeurde, hing af van de tijdsduur die Vliermaal, Munsterbilzen of andere hogere rechtbanken hadden voorgeschreven. Twee of zes uur kleine tortuur vormde een groot verschil. In dat laatste geval kon de beul het kalmer aan doen.
Na ongeveer de helft van de voorgeschreven tijdsduur, werden de duimschroeven wat gelost en eventueel één beenschroef gepast. Wat later kon een gevangene zowel de duimschroeven als één of twee beenschroeven tegelijk aan hebben. Prangende pijn op de vier lidmaten.


Het zou te ver leiden om te onderzoeken wanneer alle bokkenrijders tijdens de tortuur door de knieën gingen. In meer dan de helft van de gevallen waren de duimschroeven al voldoende. Het waren al harden die de tortuur een uur vol hielden.
De volgende dag was dan de bekentenis, los van banden en boeien. De weinige bokkenrijders die konden schrijven, moesten dan bij het tekenen verstek geven wegens 'ongesteldheid aan de duim'.