Eenmaal gearresteerd, was het een helse kring waarin de verdachte bokkenrijders terechtkwamen. De duimschroeven en Spaanse laarzen veroorzaakten een helse pijn bij de ondervraagden. In het ergste geval werden de schroeven tegelijk op de duimen en op de schenen gezet. Dan langzaam aandraaien, een viervoudige intense pijn op alle ledematen entoch noemden de juristen dat toen slechts de kleine tortuur, de ‘ordinaire’ of gewone pijniging.

Wat moest die grote tortuur dan wel zijn? Die ‘buitengewone’ pijniging? Dat was de wipgalg of estrapade. Het systeem was eenvoudig. De beklaagde werd met de armen achter de rug van de grond opgetrokken (zie afbeelding).

wipgalg

Het hele lichaamsgewicht begon op de schouders te drukken. De middeleeuwse sadisten die de straffen uitvonden, waren kenners van het menselijk lichaam. De wipgalg veroorzaakte een totaal andere pijn; een constante pijn, in tegenstelling tot de schroeven die korte intense pijn veroorzaakten naargelang de schroeven werden aan- of afgezet.

Daar kon de beul spelen met de pijn. Met de wipgalg ging dat niet meer. Met de schroeven werdhard geschreeuwd van de pijn. De pijn van de wipgalg werd meestal in stilte gedragen, eventueel licht kreunend. Al hangend deden beklaagden de ogen dicht en leken in een slaap te vertoeven. Zo verbeten ze de pijn. Dat deed bijgelovige rechters besluiten dat de bokkenrijders door hun grote meester, de duivel, gevoelloos waren gemaakt voor de pijn. Hoe kon je anders begrijpen dat iemand die onmenselijke pijnen moest uitstaan toch als in een slaaptoestand verkeerde?

Het is een misvatting te denken dat de wipgalg met de Franse Revolutie en de afschaffing van tortuur uit de geschiedenis van de mensheid is verdwenen. Mensen die Buchenwald overleefden, vertelden dat het procédé er door de Nazi’s werd toegepast. Hitlers boys kenden de geschiedenis.

In de bokkenrijdersprocessen waren een aantal stadia in de bestraffing met de wipgalg te onderscheiden. Er was sprake van zeven fasen, het heilige getal. De eerste fase was dat de beklaagde werd opgetrokken met de armen achter de rug, maar dat hij nog met zijn tenen aan de grond kon om enigszins te steunen en het gewicht op zijn schouders te verlichten door op zijn tenen te gaan staan. Het volgende stadium was met de voeten volledig van de grond. Lichtjes bengelend moesten de schouders van de beklaagde nu het volledige lichaamsgewicht dragen. Nog niet willen bekennen, werden geleidelijk aan gewichten aan de grote tenen gehangen. Dat gebeurde met een dun koordje dat in het vlees sneed. Uiteindelijk kon een gewicht van honderd pond of vijftig kilogram aan de tenen hangen. Dat gewicht drukte dan mee met het lichaamsgewicht op de schouders. Op de bijgevoegde foto staan de gewichten klaar aan de voeten van de beklaagde. In de tijd van Bruegel bleek dat de mannen nog werden opgehangen met de armen en voeten tegelijk, wat minder pijnlijk was omdat de pijn over vier in plaats van twee ledematen werd verdeeld. Achteraf is er een ‘verfijning’ gekomen. Het hogere gerecht van Munsterbilzen was gul met het uitschrijven van tortuurstraffen: vier uur gewone, een uur de wipgalg,…

De Wellenaar Jan Lycops kreeg het record: acht uur gewone en twee uur buitengewone…Bij de marteling gebeurde het dat de ‘patiënt’ zo overmand was door vermoeidheid dat het martelen moest stopgezet worden. Dat gebeurde met Tilman Swennen en Jan Lycops in Wellen. Voor deze laatste was de marathontortuur er te veel aan. Het hof van Vliermaal schreef minder lange tortuur voor, maar dan werd vaak door de plaatselijke schepenen veel langer gemarteld dan was voorgeschreven.

Van alle bokkenrijdersprocessen leren we hierover het meest in de zaak van Jan Bando uit Stevoort. Vliermaal had voor hem alleen kleine tortuur voorgeschreven, de schroeven. Toch werd hij ook aan de wipgalg opgetrokken, tegen de voorschriften in. Bando kreeg bij zijn marteling

in Herk-de-Stad een gewicht van vijftig pond aan iedere grote teen en hij kreeg er nog slagen van de zweep bovenop. Hij werd nadien ‘verscheurd’ in een laken gewikkeld en afgevoerd. Het geven van zweepslagen tijdens de tortuur was echter absoluut verboden. De frustratie van het gerecht als een man aan de wipgalg niet wou bekennen verklaart de slagen.

Het moesten harde mannen zijn die een foltering drie tot vier uur konden uithouden. Slechts weinig Limburgers doorstonden de tortuur. Een witte raaf was de oude Jan-Baptist Le Lièvre, de Waalse molenaar van Stevoort. Hij had blijkbaar zoveel negatieve motivatie opgedaan en blinde haat tegen de malafide aanklager Hollanders dat hij het ergste doorstond: vier uur kleine en twee uur grote tortuur. De oude man van 70 had dus twee uur aan de wipgalg gehangen en had niets gezegd. Jan Bando had van Vliermaal alleen maar kleine tortuur gekregen. Ze mochten hem normaal niet ophangen, maar het was toch gebeurd, aldus de verdediging van Le Lièvre die met hem samen gevangen zat. Het was de medegevangene die de zaak uitbracht, niet degenen die namens het gerecht bij de tortuur aanwezig waren. Dat detail zegt veel. Bando werd uiteindelijk terechtgesteld. Le Lièvre overleefde het avontuur, maar het kostte de molenaar van Stevoort wel een fortuin.

Van alle marteltuigen was de wipgalg het grootste in omvang. De schroeven waren klein en makkelijk te vervoeren. De wipgalg daarentegen was een groot tuig met een katrol, een hendel en een koord die moest aangedraaid worden naargelang de beul de beklaagde op of neer moest laten.

De wipgalg moest per kar vervoerd worden. Daarvoor moest het plaatselijk gerecht zorgen. Zij moesten een voerman met paard kar en met een escorte naar de beul in de stad sturen: Luik of Roermond en dan het hele gezelschap, beul en marteltuigen naar de plaats van het verhoor brengen.

Door zijn omvang was de wipgalg het omvangrijkste en meest opvallende foltertuig van de beul. Toch lijkt de wipgalg weinig efficiënt te zijn geweest. De duimschroeven waren veel doeltreffender om de beklaagden te doen bekennen. We vinden wel enkele keren dat na de kleine tortuur doorstaan te hebben, beklaagden begonnen te bekennen nog voor ze aan de galg werden gehangen.

De afschrikking deed hen dan bekennen. Als ze eenmaal aan de wipgalg hingen, konden ze blijkbaar goed de pijn verbijten. Iemand die de kleine tortuur had doorstaan was op goede weg om de hele marteling te doorstaan.

Ook Joseph Kerckhoffs, de meest legendarische van alle bokkenrijders kon zelfs meerdere keren de wipgalg doorstaan. Zijn ondervragers kwamen zwaar onder de indruk. Volgens hen waren het ‘bovenmenselijke’, lees duivelse, prestaties die hij leverde. Maar bekennen? Neen, dat deed hij nooit: menselijke wilskracht sterker dan een sadistisch foltertuig. Het heeft ongetwijfeld de mythe rond Kerckhoffs gevoed.


François Van Gehuchten