Wie was Willem de Gavarelle (1692 - 1759), de naamgever van de wandeling in Geleen ?

Willem de Gavarelle werd op 25 januari 1692 te Stein gedoopt als zoon van Reinier Philip de Gavarelle en Maria Meuris of Muris. Hij werd door een tijdgenoot beschreven als “lang van postuyr.. met vleesachtige [= blonde] bijeengebonden hairen”. Sommige Geleners noemden hem “het Gravelke”, terwijl hij door gevangen leden van zijn bende “den dicksack’ en “dien dicken achter de Kercke” werd genoemd.

 “Op 25 februari 1718 huwde hij te Stein met Anna Maria van Hoven, kleindochter van drossaard Jan van den Stock. Het jonge echtpaar betrok de noordelijke helft van het huis Maes aan het kerkhof te Oud Geleen.

In de noordelijke helft van dat complex werden de vijf kinderen van het echtpaar de Gavarelle -Van Hoven geboren. De moeder van deze kinderen overleed reeds op 13 oktober 1733. Op 16 mei 1734 hertrouwde Willem de Gavarelle met Anna (of Maria) Josephina Olijslegers; zij zou op 20 december 1744 overlijden.

Willem de Gavarelle was blijkbaar een twistziek man, die lange tijd met zijn familieleden, buren en plaatsgenoten in onmin leefde. Met Sibilla Cornelia van den Stock, een tante van zijn eerste vrouw, en met zijn zwagers B. de Preez en R Erckens geraakte hij in processen verwikkeld. Ook met andere Geleners kreeg hij het aan de stok. “

Leider van een dievenbende

“Volgens het latere getuigenis van een lid der bende nam Willem de Gavarelle in een voorjaarsnacht van 1736 deel aan een bijeenkomst op de Heksenberg bij Heerlerheide, waarbij ook de hierboven genoemde vilder Mathijs Ponts en diens zonen uit Hoensbroek en een aantal mannen uit Schinnen aanwezig waren. In een “delle” zaten twaalf tot dertien mannen in een kring, terwijl jonker de Gavarelle en Geerling Daniels uit Wolfhagen (Schinnen) in het midden stonden. De laatstgenoemde hield een afgekapte mensenhand vast, waarin een brandende kaars stak. Eerst legde de Gavarelle de opname-eed in handen van Daniels af en daarna keerden zij de rollen om.”

 

De Gavarelle woonde in deze speklagen boerderij bij de kerk van Oud Geleen

 14.7 Woning Gaverelle 2   02

“Tijdens de Oostenrijkse Successieoorlog (1740-1748) was blijkbaar een aantal gevluchte bokkenrijders teruggekeerd, maar het gerecht liet hen ongemoeid. Misschien was ook Willem de Gavarelle enige tijd afwezig. Het is niet bekend of hij thuis was, toen zijn tweede echtgenote op 20 december 1744 overleed. In elk geval verbleef hij kort nadien in zijn woning aan het kerkhof te Oud-Geleen.”

Overval bij de gezusters Gadé Op de Vuling (30 juni/ l juli 1749)

“Willem de Gavarelle en zijn eerste vrouw hadden met de gezusters Josina en Maria Gadé, die op de Vuling, dwz. aan het begin van de Onderste Dorpstraat [=Geenstraat], woonden, in zo’n goede verstandhouding gestaan, dat Josina in 1726 als de peettante van hun enige zoon had gefungeerd. Wegens diezelfde goede verhouding hadden zij Willem een niet onaanzienlijke bedrag geleend. Maar hij zou op schandelijke wijze misbruik van hun vriendschap maken. Toen hij die som bij elkaar had, ging hij ermee naar de bejaarde dames, telde het geld op tafel neer en zag dat het in het “sjaap” [= kast] in de keuken werd gedeponeerd. Daarop gaf hij aan zijn mannen bevel om zich rond middernacht van maandag 30 juni op dinsdag 1 juli 1749 op de Vuling nabij het huis Gadé te verzamelen.”

De overval bij Petri in het straatje te Puth.

“In de nacht van 4/5 maart 1750 pleegden de bokkenrijders een overval bij Hendrik Petri in het Straatje te Puth Schinnen. Terwijl de andere bendeleden geweldig te keer gingen, zocht Willem de Gavarelle, die toen in een “blauwe rock met grijs voeder van buijten” was gekleed en een “flinte” in zijn handen had, wat “kleinigheden” bij elkaar. En toen de overige dieven zwaarbeladen aftrokken, hield hij slechts een klein pakje onder zijn arm.”

Als de arrestaties opgang komen , wordt ook Willem de Gavarelle genoemd; echter hij vlucht voordat hij kan worden aangehouden.

Na 6 jaar is hij terug in Geleen ; wordt gevangen genomen en zit - waarschijnlijk – in de kerkers van Kasteel Amstenrade. Hij overlijdt in de kerkers en wordt door de vilder in Treebeek onder de galg begraven.

“Toen de gezusters de Gavarelle vernamen hoe en waar hun vader was begraven, lieten zij op 4 juni 1760 door Frans Meyer bij de Soevereine Raad te Brussel een protest indienen tegen “het irreguliere begraven des doode lichaems van gemelte heer Willem de Gavarelle”. Zij voerden aan, dat hun vader niet alleen niet veroordeeld was maar zelfs stichtelijk was gestorven. Derhalve verlangden zij, dat zijn lijk ofwel in gewijde grond zou worden begraven ofwel [gekist] in de gevangenis zou blijven totdat een rechterlijke beslissing zou zijn gevallen. Op 17 november 1760 werden zij in het gelijk gesteld. Daarop werd het lijk van hun vader opgegraven en zonder ceremonie op het kerkhof te Amstenrade ter aarde besteld, terwijl de schepenbank van Geleen de gerechtskosten van dit beroep moest dragen.”

Bronnen:

De Bokkenrijders met de doode hand (1924), door Henri Pijls

Geschiedenis van Geleen, deel 1, door Prof. A Schrijnemakers