Bokkenrijders.
Tussen circa 1730 en 1775 werden de landen van Overmaze en aangrenzende gebieden ( ruwweg het huidige Nederlands Limburg) geteisterd door plunderingen van kerken, pastorieën en boerenhoeven. Deze, meestal nachtelijke plunderingen, gingen vaak gepaard met mishandelingen. In drie fasen werden via massaprocessen na folteringen ongeveer 600 mensen veroordeeld en meer dan de helft hiervan ter dood gebracht.
De benaming Bokkenrijders werd pas tegen het eind van de periode gebruikt. Voorheen sprak men van schelmen, rovers, knevelaars etc.
Zo men zegt hebben honderd man sterk een contract met de duivel aangegaan; men wil ook weten dat zij op een grote geitenbok rijden om dan in een vreemd land te gaan stelen en zijn dan dezelfde nacht met hun buit weer terug. Zij worden daarom Bockeryders genoemd. Men heeft daar nochtans geen waarheid over.( vrij naar Mengels in Kroniek van Opcanne, 1773).
Vanaf ca 1770 wordt ook het land van Loon ( Belgisch Limburg) opgeschrikt door Bokkenrijders. Men chanteert rijke boeren via brandbrieven. Om hun dreigement kracht bij te zetten noemt men zich Bokkenrijders. Hier loopt de bokkenrijdersperiode tot ca 1795. Ook hier worden via folteringen en massa processen honderden mensen veroordeeld en gedood.

Wat onderscheidt de Bokkenrijders van andere misdaden en benden in de tweede helft van de 18e eeuw?
Volgens François van Gehuchten (Bokkenrijders – late heksenprocessen in Limburg, 2002) is het grote onderscheid een zogenaamde 'goddeloze eed' of een pact met de duivel dat zogenaamd wordt aangegaan. Bijkomende kenmerken zijn dat bokkenrijders in groepsprocessen worden veroordeeld en dat er een sterke sturing is door het gerecht via tortuur of pijnbank.

Bokkenrijders : Mythe of realiteit ?
Al aan het eind van de Bokkenrijders periode in de landen van Overmaze worden in publicaties (oa Sleinada) en brieven (Pélerin) twijfels uitgesproken over het aantal terechtstellingen en de procesgang. Deze twijfels komen in de publicaties van de afgelopen ca 50 jaar ook tot uiting en leiden tot ruwweg twee extreme standpunten:
1. alle bekentenissen onder tortuur zijn vals, en werden de zogenaamde bokkenrijders door het gerecht verplicht misdaden te bekennen die ze niet hadden gedaan. Een belangrijke vertegenwoordiger van deze mening is Louis Augustus (onder andere in Publications 127, 1991.Vervolgingsbeleid en procesvoering tegen de Bokkerijders. Het ontstaan van een waandenkbeeld.)
2. wat in de processtukken staat is waarheid, hooguit is een enkeling onterecht bestraft. Voor velen is Anton Blok het boegbeeld van deze mening (Anton Blok: De Bokkerijders, Roversbenden en geheime genootschappen in de landen van Overmaas. Prometheus, 1991).

In de meeste publicatie worden de processen en de veroordeelden centraal gesteld. Er is geen of weinig onderzoek dat de misdaden centraal stelt en probeert te achterhalen wat er gebeurd zou kunnen zijn.

In zijn publicatie over de Belgische Bokkenrijders (Bokkenrijders – late heksenprocessen in Limburg) komt François van Gehuchten via de misdaden tot de conclusie dat velen onterecht zijn veroordeeld en terechtgesteld.

Veel (Limburgse) historici twijfelen aan het bestaan van georganiseerde bokkenrijdersbenden. De misdaden zouden los van elkaars staande gebeurtenissen zijn. Velen zouden onschuldig zijn veroordeeld.

Kortom nog voldoende stof tot onderzoek en discussie.